Er zijn gesprekken die ik me niet herinner om wat er gezegd werd,
maar om wat er niet gezegd werd.
De pauze na een zin.
Een blik die uitweek.
Het moment waarop iemand iets had kunnen vragen en het niet deed.
Lange tijd dacht ik dat stilte een gebrek was.
Iets wat moest worden ingevuld.
Met uitleg, met context, met woorden die het ongemak verzachten.
Maar in mijn schrijven begon ik te merken:
de stilte was al aanwezig.
Ze had alleen nog geen plaats gekregen.
In Zout onder mijn huid is stilte geen leegte.
Ze is een personage.
Aanwezig, soms dwingender dan wie spreekt.
Ze zit aan tafel.
Ze staat in deuropeningen.
Ze blijft hangen wanneer iemand de kamer verlaat.
Sommige relaties bestaan bij gratie van wat niet gezegd wordt.
Niet omdat het onuitspreekbaar is,
maar omdat het uitspreken alles zou verschuiven.
Ik heb geleerd om die stiltes niet te verklaren.
Niet te duiden.
Niet te redden.
Wanneer ik ze benoem, breek ik hun kracht.
Wanneer ik ze laat bestaan, beginnen ze te werken.
Een scène hoeft geen dialoog om te spreken.
Soms is een lichaam dat niets zegt,
maar net iets te lang blijft staan, voldoende.
Ik schrijf steeds vaker om de stilte heen.
Ik laat zinnen eindigen waar ze zouden kunnen doorgaan.
Ik vertrouw erop dat de lezer hoort wat daar gebeurt.
Stilte vraagt moed.
Van de schrijver, om niet te veel te zeggen.
Van de lezer, om te blijven kijken.
Maar precies daar ontstaat intimiteit.
Niet in wat wordt uitgelegd,
maar in wat samen wordt gedragen.
In dat gedeelde zwijgen
krijgt het verhaal zijn diepte.
En soms,
pas daar,
zijn waarheid.